|
Op andere sites online
gevonden
|
DE STAND VAN ZAKEN IN NEDERLAND
Toen de kerncentrale in Dodewaard in maart 1969 officieel geopend werd
had men grootse plannen voor de ontwikkeling van kernenergie in Nederland.
Al in 1957 plande de regering dat in het jaar 2000 de verwachte gigantische
vraag naar elektriciteit helemaal door kernenergie werd voldaan. Zelfs
in eerste helft van de jaren '70 had men nog plannen voor de bouw van
35 (!) kerncentrales. Maar van die plannen is duidelijk niets terechtgekomen.
De Nederlandse kernindustrie in spé hoopte nog op een gouden
toekomst bij de opening van Dodewaard, die overigens gebouwd werd door
het Amerikaanse General Electric. Een paar jaar later was dat al vervlogen
toen de opdracht voor de volgende kerncentrale Borssele werd gegeven
aan het Duitse KWU en niet aan een Nederlands consortium. Toen in 1974
de PPR, inmiddels in GroenLinks opgegaan (samen met het opkomend maatschappelijk
verzet), in het eerste kabinet Den Uyl de plannen voor de bouw van drie
kerncentrales torpedeerde, was, achteraf gezien, de verwachte grote
rol van kernenergie in Nederland al uit gespeeld. Toen ook nog ongeveer
in dezelfde tijd (1975) de export van twee door RSV te bouwen reactorvaten
voor Zuid-Afrika door druk vanuit de publieke opinie door de regering
werd verboden, was dat een nieuwe grote tegenslag, die de Nederlandse
kernindustrie niet te boven is gekomen. In 'officiële' geschiedschrijving
wordt vaak gerefereerd aan de hokjesgeest van de Nederlandse industrie
en daardoor gebrek aan samenwerking en coördinatie als reden voor
mislukking van die poging (zie o.a.: Lagaaij en Verbong: "Kerntechniek
in Nederland: 1945-1974"). Alhoewel maatschappelijk verzet niet
eens genoemd wordt, lijkt dat toch ook al in die periode een grote invloed
te hebben gehad. Toch hebben de plannen voor de bouw van 2 of 3 kerncentrales
tot ver in de jaren negentig bestaan; vaak helemaal onder in een la,
maar soms ook prominent midden op het bureaublad. Hoe is het zo gekomen?
RCN/ECN
Nederland was er vroeg bij met kernenergie, reeds in 1951 werd er een
verdrag getekend met Noorwegen en werd er samen een proefreactor gebouwd
in het Noorse Kjeller. Nederland had vóór de Tweede Wereldoorlog
al een voorraad natuurlijk uranium (verborgen voor de Duitse bezetters
in de Leidse universiteit) en dat kon men wel gebruiken in een zwaarwater
reactor. En Noorwegen had een grote zwaarwater productie. Vandaar. De
reactor in Kjeller had naast onderzoek ook de functie van opleidingsinstituut
voor kernfysici.
Maar Nederland wilde meer, en in 1955 werd in het Noord-Hollandse Petten
het Reactor Centrum Nederland (RCN- vanaf 1976 al veelzeggend herdoopt
tot het Energieonderzoeks Centrum Nederland) geopend. Dat zou moeten
dienen als opleidings- maar vooral als een ontwikkelings-instituut voor
een 'volwaardige' Nederlandse kernindustrie. Tevens had het een adviserende
functie voor de Nederlandse politiek. Wilde plannen werden er ontwikkeld
en de regering nam ze vrijwel altijd over. Als eerste moest er een elektriciteitsproducerende
reactor komen en in 1964 begon men met de bouw van de centrale in Dodewaard.
De RCN ontwikkelde in de jaren '60 een eigen reactorontwerp (de NERO:
Nederlands Eerste Reactor Ontwerp) dat echter nooit verder kwam dan
de tekentafel en samen met Philips werd Interfuel opgericht voor de
productie van splijtstofelementen. De eerste levering voor Dodewaard
werd geproduceerd op het RCN terrein. Ook Interfuel (1972-1975) werd
geen succes: de opdracht voor de volgende levering ging naar een Engels
bedrijf. De RCN en later de ECN is echter altijd een kernenergiebolwerk
gebleven, ook al heeft ze haar horizon verbreed naar onderzoek van alternatieven
(wind, kolen, zon, biomassa). Vanaf 1999 heeft het ECN haar nucleaire
onderzoeksdeel afgestoten en ondergebracht bij het NRG. Zo is de NRG
nu betrokken bij de ontwikkeling van de Hoge-Temperatuur Reactor en
bij de pogingen die in Zuid-Afrika te bouwen.
|
|
|
Dodewaard
De officiële inwerkingstelling van de 50 MW kerncentrale in Dodewaard
op 26 maart 1969 door koningin Juliana was ook meteen het eerste incident
van die centrale. Met het terugtrekken van de regelstaven uit de kern
veroorzaakte de koningin een te snelle toename van de kernsplijting.
Het hoofd van de centrale greep in en de reactor werd stil gelegd.
De eerste jaren stonden in het teken van haarscheurtjes in leidingen
en onveilige opslag van kernafval op het terrein. In 1972 vertrokken
drie veiligheidsfunctionarissen na kritiek op de veiligheidscultuur
en regels. Vanaf 1978 werd de centrale ook nog eens het speerpunt
van het verzet tegen kernenergie in Nederland (de 'Dodewaard-Gaat-Dicht'
Beweging).
In 1996 besloot de eigenaar verrassend de centrale stil te leggen:
er 'is geen draagvlak voor kernenergie in Nederland'. Op 26 maart
1997 was het zover, hetgeen echter niet wil zeggen dat daarmee alle
problemen waren opgelost. Er is besloten dat over 40 jaar de gehele
centrale afgebroken moet zijn: eerst moet de brandstof eruit en dan
gaan de meest radioactief besmette gebouwen voor enkele decennia 'op
slot', waarna afbraak volgt. Het vervoeren van de brandstof naar de
opwerkingsfabriek in het Engelse Sellafield is echter een heel probleem:
keer op keer worden de vergunningen aangevochten en door de Raad van
State nietig verklaard. Maar eind 2000 was het zover en kon het eerste
transport sinds de stillegging, een beetje gehinderd door een blokkade,
plaatsvinden. Eind 2002 hoopt men klaar te zijn en al de brandstof
uit het koelbassin hebben vervoerd in totaal 19 transporten naar Sellafield.
Borssele
De veel grotere reactor in het Zeeuwse Borssele (450 MW) ging in 1973
in bedrijf. Het had de eerste reactor moeten worden die voor een groot
gedeelte door de Nederlandse industrie zou worden gebouwd, maar de
opdracht werd gegeven aan het Duitse KWU. De centrale is nu de enige
die nog in bedrijf is. Maar hoe lang is nog de vraag. Na veiligheidsinspectie
van de IAEA in 1986 na het ongeluk in Tsjernobyl, bleek er heel wat
aan te merken op de veiligheid van de centrale. Vervolgens wordt er
een plan opgesteld tot aanpassing ('modificatie') aan de laatste veiligheidseisen.
Omdat die echter zo duur is (meer dan fl. 400 miljoen), wil men een
langere bedrijfsduur dan de geplande 31-12-2003 om de investeringen
terug te verdienen. De Tweede Kamer ging echter niet akkoord en besloot
eind 1994 dat de centrale uiterlijk 1 januari 2004 gesloten dient
te zijn.
Maar de eigenaar EPZ voerde, samen met de werknemers, een pr-offensief
en startte een procedure tegen de vervroegde sluitingsdatum. In februari
2000 vernietigde de Raad van State die beslissing. De regering wil
toch sluiting per 2004 en het ministerie van Economische Zaken begint
in 2001 een procedure tegen de EPZ, om alsnog sluiting per 2004 af
te dwingen. De EPZ beroept zich op de liberalisering van de elektriciteitsmarkt
en zegt dat de regering niet mag beslissen een goedlopend bedrijf,
dat alle vergunningen heeft en aan alle eisen voldoet, te sluiten.
Sluiting zou in strijd zijn met Europese wetgeving. De EPZ en de lobbyclub
Borssele 2004+ zijn vol optimisme. Bij de milieubeweging bestaat de
angst dat Economische Zaken, traditioneel het meest pro-kernenergie
van de departementen en geleid door pro-kernenergie minister Jorritsma,
niet volledig haar best gaat doen in de juridische procedures.
Almelo
In 1970 werd het Verdrag van Almelo getekend door de regeringen van
Groot-Brittannië, West-Duitsland en Nederland en werd Urenco
opgericht (Uranium Enrichment Company). Doel van het verdrag is de
commerciële ontwikkeling van de ultracentrifuge technologie voor
het verrijken van uranium. Ultracentrifuge is een manier om uranium
te verrijken in snel draaiende trommels (centrifuges) en is in Nederland
ontwikkeld. Al in maart 1969 was door Philips een stuk grond aangekocht
in Almelo voor een fabriek waarin de centrifuges gebouwd moesten gaan
worden. In november 1969 werd de 'eerste spade in de grond gestoken'
(in realiteit een bulldozer) voor de bouw van een (kleine proef-)
verrijkingsfabriek. Ook in het Duitse Gronau en het Engelse Capenhurst
kwamen Urenco fabrieken. De Nederlandse industrie (Shell, Stork, Philips)
had een flink aandeel in de Nederlandse poot van Urenco, maar verkocht
bijna al haar belangen al snel aan de Nederlandse staat die dan ook
voor 99% aandeelhouder is. Midden jaren zeventig ontstond er verzet
tegen de voorgenomen leveranties van verrijkt uranium aan de dictatuur
in Brazilië, dat ook een kernwapenprogramma had. Er volgen kleine
en grote demonstraties (40.000 in maart '78!) en uiteindelijk wordt
besloten dat niet de fabriek in Almelo maar die in Capenhurst het
uranium voor Brazilië zal verrijken.
Een andere affaire is die van het verrijken van Namibisch uranium.
Al in 1978 verklaarde de anti-apartheids beweging dat 'Almelo', door
bezetter Zuid-Afrika, gestolen uranium uit Namibië verrijkte.
Daarmee overtrad men het in 1974 aangenomen Decreet Nr 1 van de Raad
van Namibië van de Verenigde Naties die de export van goederen
uit het door Zuid-Afrika bezette land verbiedt. Urenco verdedigde
zich met de verklaring dat ze niet kan weten waar het uranium vandaan
komt; het wordt geleverd door hun klanten: ze zijn op geen enkel moment
eigenaar en verrijken het alleen maar. 'Heling' noemt de VN het, en
begon een proces tegen Urenco en de Nederlandse staat. Dat wordt echter
niet doorgezet als Namibië in 1990 onafhankelijk wordt.
|
| *1 Sinds eind 2000
is er in Borssele in de opslaghal voor laag- en middelactief afval hoog
radioactief afval opgeslagen van de reactor in Petten. Omdat de VS de brandstof
niet terug wilde nemen omdat de reactor niet inging op de Amerikaanse eis
om andere brandstof te gebruiken, en omdat de reactor anders dicht zou moeten
door gebrek aan opslagcapaciteit, gaf de regering toestemming tot deze 'oplossing'.
|
De bekendste affaire is echter die van de
atoomspion Abdul Qadeer Kahn, een Pakistaan die van 1972 tot maart
1976 werkte bij FDO, een bedrijf dat nauw samenwerkte met 'Almelo'.
Kahn verzamelde informatie en was zelfs in staat foto's te (laten)
maken van centrifuge onderdelen en tekeningen en specificatielijsten
te kopiëren. De affaire bleef in de doofpot totdat het in 1979
werd 'onthuld'. De regering bagatelliseert het eerst, later wordt
Kahn bij verstek veroordeeld, maar dat wordt wegens een vormfout (het
is onduidelijk of hij de dagvaarding ooit ontvangen heeft) in 1985
vernietigd. Kahn is ondertussen in Pakistan opgeklommen tot 'speciaal
adviseur' van de militaire machthebbers en wordt liefkozend de 'vader
van de Pakistaanse atoombom' genoemd.
Urenco heeft een marktaandeel van 12-15% van de wereldverrijkingsmarkt.
De fabriek in Almelo produceert na de in maart 2000 in gebruik genomen
nieuwe verrijkingshal (de SP5) genoeg voor de brandstof van 15 tot
20 kerncentrales. Hoewel een belangrijke schakel in de kernenergie
cyclus lijkt Urenco in Nederland nauwelijks ter discussie te staan.
In het kader van de privatisering is de Nederlandse staat op zoek
naar een koper voor haar aandeel (1/3 deel) in Urenco.
Kalkar
Een belangrijke accelerator in het verzet tegen kernenergie in Nederland
is de 3% heffing (op ieders elektriciteitsrekening) die vanaf 1 mei
1973 van kracht werd. Dat bedrag moest geïnd worden om de Nederlandse
deelname aan de bouw van de snelle kweekreactor in het Duitse Kalkar
te betalen. Duizenden mensen (en organisaties, politieke partijen
en zelfs tientallen gemeenteraden) weigerden die 'kalkar-heffing'
te betalen; vele individuen werden vervolgens door de elektriciteitsmaatschappijen
afgesloten. De regering moest bakzeil halen en beëindigde de
heffing per 1 januari 1977. Maar de kiem van een brede anti-kernenergie
beweging was dan al gelegd. Die beweging zal zich eind jaren '70/begin
jaren '80 enorm manifesteren en al snel is (en blijft) een meerderheid
van de Nederlandse bevolking tegen kernenergie. Ook politieke partijen
zien steeds minder in kernenergie en veranderen in die periode van
mening. Maar merkwaardig genoeg bleven regeringen van verschillende
signatuur altijd plannen maken voor nieuwe kerncentrales. Kalkar werd,
na een beslissing in 1990 van de Duitse regering om de reactor niet
in gebruik te nemen, verkocht en is nu een (slecht lopend) pretpark.
BMD
In 1978 ontstaat het idee van een Brede Maatschappelijke Discussie
over (kern-) energie. Veel organisaties en individuen nemen er aan
deel. En als in 1984 eindelijk het eindrapport verschijnt is al lang
bekend dat een meerderheid tegen kernenergie is en de commissie adviseert
dan ook de voorbereiding voor de bouw van nieuwe kerncentrales te
beëindigen. Al heel snel echter besluit de minister van Economische
Zaken Van Aardenne (in het CDA/VVD kabinet) tot de bouw van minimaal
2 nieuwe kerncentrales. Ondanks al het verzet worden procedures daarvoor
doorgezet. Maar toen in april 1986 het grote ongeluk plaatsvond in
de kerncentrale in Tsjernobyl, vlak voor de Tweede Kamer verkiezingen,
krabbelden de politieke partijen terug en verdwenen de plannen in
de onderste bureaulade.
Sinds het midden van de jaren '80 is de anti-kernenergie beweging
flink in kracht afgenomen, maar juist de laatste jaren lijken weer
meer (kleine) acties plaats te vinden. Vooral rond de Urenco in Almelo
en de transporten van Dodewaard en Borssele naar de opwerkingsfabrieken
vinden regelmatig protesten plaats.
Afval
Een van de belangrijkste argumenten tegen kernenergie is nog steeds
het afvalprobleem. Al sinds de zeventiger jaren wordt er in Nederland
onderzoek gedaan naar wat te doen met het hoogradioactief afval dat
duizenden jaren zorgvuldig opgeslagen dient te worden.
Radioactief afval bestaat uit een aantal categorieën: laag-,
middel- en hoogradioactief afval. Het radioactief afval dat in Nederland
geproduceerd wordt komt uit onderzoeksinstituten, ziekenhuizen, industrie
en kerncentrales. Ruim 99% van de radioactiviteit in dat afval is
afkomstig uit de kerncentrales. De nogal eens uitgesproken suggestie
dat veel afval afkomstig is uit ziekenhuizen, is niet waar. In Nederland
is tot nu toe alleen nog maar laag- en middel radioactief afval (LAVA
en MAVA) opgeslagen. [1] Al het hoog radioactief afval (de brandstof
uit de kerncentrales) is allemaal in het buitenland opgeslagen. Het
overgrote deel daarvan bij opwerkingsfabrieken in Frankrijk en Engeland,
deels ook in de VS waar de brandstof van de (voor een groot deel al
lang gesloten) onderzoeksreactoren in Petten, Arnhem, Wageningen en
Delft. Het hoog radioactief materiaal van de (inmiddels ook al lang
gesloten) reactor in Eindhoven ging naar België
Tot en met 1982 dumpte Nederland haar LAVA en MAVA in de Atlantische
Oceaan. Maar door protesten en als gevolg daarvan internationale anti-dumpings
verdragen, kon dat niet langer en moest er een opslaglocatie op land
gevonden worden. Een commissie onder leiding van Geertsema (citaten:
"Griesmeel is gevaarlijker dan kernafval" en "De anti-kernenergie
beweging wordt betaald uit bankovervallen") zocht stad en land
af voor een gemeente die het afval wilde opslaan. Hoewel uit opiniepeilingen
blijkt dat 80% van de bevolking tegen is, gaat de gemeenteraad van
Borssele uiteindelijk akkoord met de vestiging van de COVRA op haar
grondgebied. De COVRA (Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval)
is verantwoordelijk voor de inzameling en opslag van radioactief afval
in Nederland. Oorspronkelijk werd de COVRA gevormd door de producenten
van radioactief afval (vnl. de kerncentrales), maar de Nederlandse
staat heeft besloten 100% eigenaar te worden en heeft in het verleden
veel geld betaald om de verliezen (er is te weinig radioactief afval!)
aan te zuiveren.
De vervuiler betaald gaat hier dus blijkbaar niet op.
Er wordt gesproken over het overdragen van de gesloten kerncentrale
in Dodewaard (nadat alle brandstof is verwijderd) aan de COVRA, dan
ligt ook het risico van ontmanteling bij de staat (bij ons dus). Vanaf
1992 wordt er LAVA en MAVA opgeslagen in de loodsen van de COVRA en
vanaf ongeveer 2004 (men loopt al zo ver achter de oorspronkelijke
planning) moet het gebouw voor het hoog radioactief afval (het 'HABOG')
klaar zijn. Dan, zo is de bedoeling, zal er een begin gemaakt worden
met het terugzenden van het afval dat in La Hague en Sellafield opgewerkt
is.
Opwerking
Tot opwerking van Nederlands afval is al in de jaren '70 beslist.
De Tweede Kamer was gedwongen de contracten goed te keuren zonder
die in te mogen zien en nog steeds zijn ze geheim. Mede daarom, maar
natuurlijk vooral doordat opwerking enorm vervuilend is, staat opwerking
al lang ter discussie. Toch blijven de regering en de eigenaren van
de kerncentrales volhouden dat men niet kan stoppen omdat de contracten
dat niet toelaten, en dat éénzijdige contractbreuk zal
leiden tot enorme schadevergoedingen. Maar, aangezien de contracten
geheim zijn, is zo'n bewering nogal discutabel (als je al een afweging
kunt maken tussen een schoner milieu en geld). Ondertussen weet Nederland
niet wat het net het plutonium moet doen. Men dacht het te kunnen
gebruiken in de kweekreactor in Kalkar waar Nederland aan deelnam,
maar daar is niets van terechtgekomen en nu zit men er mee in haar
maag. Verantwoordelijke ministers hebben meermalen gezegd het niet
in Nederland te kunnen en willen opslaan. Als Borssele in 2004 gesloten
wordt, heeft Nederland in totaal 3850 kg plutonium. Verkopen lijkt
dan de enige optie, maar dat valt niet mee; zelfs met geld toe zijn
er vrijwel geen kandidaten.
Ondergrondse opslag
Oorspronkelijk was het de bedoeling dat het afval zo'n 50 tot 100
jaar in Borssele zou worden opgeslagen, waarna het definitief ergens
ondergronds opgeslagen zou worden. Nu praat men al over een periode
van 100 of meer jaar interim opslag in Borssele.
Nergens ter wereld is nog een definitieve opslag gerealiseerd en ook
in Nederland vlot het niet erg. Vanaf 1976, toen de regering besloot
tot Proefboringen in zoutlagen onder Noord-Nederland, wordt opslag
diep ondergronds in die zoutlagen als optie gezien. Die proefboringen
hebben nooit plaats gevonden door breed maatschappelijk verzet, en
in mei 1993 besloot de regering tot nieuwe opslag criteria, waardoor
opslag in zoutkoepels van de baan leek.
Minister Alders formuleerde de IBC-criteria: Isoleren, Beheersen en
Controleren en noemde een nieuw criterium: 'terughaalbaarheid', het
afval zou ten alle tijde bereikbaar en terughaalbaar moeten zijn.
Technisch onuitvoerbaar, concludeert het kabinet. Letterlijk schrijft
Alders aan de Kamer: "Dit betekent thans dat de niet terugneembare
berging in steenzoutformaties in de diepe ondergrond zoals dit als
een der mogelijke opties wordt bestudeerd (
), door het kabinet
wordt afgewezen". Maar het woord 'thans' blijkt cruciaal, want
in februari 2001 komt de CORA (Commissie Opberging Radioactief Afval)
met een advies aan de regering waarin ondergrondse opslag 'op den
duur noodzakelijk' wordt genoemd en het begrip 'terugneembaarheid'
slechts lijkt te dienen om de weerstand bij burgers en bestuur te
verminderen. Ook het begrip 'terughaalbaarheid' is uitgehold: het
lijkt nu te gelden voor alleen de eerste paar eeuwen, dan de schacht
dicht storten en een nieuwe schacht boren als dat noodzakelijk blijkt,
lijkt daar nu ook onder te vallen. Maar haast is er niet, zegt men,
want de eerste 100 jaar is het 'afvalprobleem opgelost' door de opslag
in Borssele.
In sommige kringen wordt ook de mogelijkheid van export van het afval
naar een internationale opslagfaciliteit overwogen.
Kortom, de geschiedenis van kernenergie in Nederland is een geschiedenis
van ongelukken, affaires en niet waar gemaakte verwachtingen; en het
einde is nabij. En daarin verschilt Nederland niet met de rest van
de wereld.
|