|
Op andere sites online
gevonden
|
Atoomalarm aan het einde van
het millennium
De nucleaire politiek van Israël en de atoomproeven in India
Op maandag 11 mei jongstleden werd de wereld onaangenaam verrast door
een aantal nucleaire proefexplosies in India, op niet al te grote afstand
van de grens met Pakistan. Een dag later vonden nog twee van dergelijke
tests plaats. Onmiddellijk wezen de media er op dat deze proefexplosies
moeten worden gezien in het kader van de controverse tussen India en
Pakistan, welke met het onafhankelijk worden van beide landen in 1947
is ontstaan. Er zijn echter redenen om aan te nemen dat achter de schermen
ook Israëlische belangen in dit alles een rol spelen.
Direct nadat het nieuws over de nucleaire test in India bekend was gemaakt,
werd er door verschillende landen in de wereld verontwaardigd gereageerd.
Dat Israël niet op een soortgelijke manier reageerde was niet direct
een verrassing, aangezien dit land in nucleair opzicht veel gemeen heeft
met India. Om te beginnen weigert Israël, evenals India, al jaren
om het non-proliferatieverdrag te ondertekenen tegen de verspreiding
van kernwapentechnologie. Maar daar houden de overeenkomsten niet mee
op. Sinds de jaren zestig kan de joodse staat een volwaardige kernmacht
worden genoemd. Officieel beweert de Israëlische regering weliswaar
nog altijd dat de nucleaire faciliteiten bij Dimona in de Negev woestijn
uitsluitend voor vredelievende doeleinden zijn gebouwd. Maar de wereld
weet ondertussen beter, ondermeer naar aanleiding van de publikatie
van "The Samson Option" uit 1991 van de voormalige 'New York
Times' journalist Seymour Hersh. Uit deze publikatie blijkt dat Israël
er in de laatste decennia in geslaagd is om een aanzienlijk nucleair
arsenaal op te bouwen. Ook een aantal foto's die in 1985 verschenen
in 'The Sunday Times' hebben overduidelijk de militaire intentie aangetoond
van het Israëlische nucleaire programma. Deze foto's werden gemaakt
door de Israëliër Mordechai Vanunu, een voormalige werknemer
van de kerncentrale bij Dimona. Door zijn foto's uit te laten lekken
naar de buitenlandse pers, onthulde Vanunu de capaciteit van Israël
om een waterstofbom te produceren. Vanunu werd in zijn daden gedreven
door zijn onvrede met de manier waarop Palestijnen door Israël
worden behandeld. Zijn initiatief is hem uiteindelijk duur komen te
staan, want hij werd in Israël tot 18 jaar eenzame opsluiting veroordeeld.
Nucleaire bewapening wordt door de Israëlische leiders gezien als
een veiligheidsgarantie ten aanzien van de omringende, voornamelijk
Islamitische landen. Een voorwaarde daarbij is dat andere landen, in
en rond het Midden Oosten gebied, er geen nucleaire ambities op na gaan
houden. Dat de joodse staat dit niet tolereert, werd in 1981 duidelijk
toen Israëlische bommenwerpers de Iraakse kernreactor te Osirak
plat gooiden. Deze Israëlische aanval kan achteraf als goed geslaagd
worden beschouwd; nadien was Irak immers niet meer in staat om een kernarsenaal
op te bouwen. De recente resultaten van de VN inspectieteams, die in
Irak op zoek zijn naar massavernietigingswapens, bevestigen dit.
Irak vormt in nucleair opzicht dus geen bedreiging meer voor Israël.
Sinds het Irakees kernwapenprogramma door Israël een halt werd
toe geroepen zijn er echter andere Islamitische landen naar voren gekomen,
die aan nucleaire bewapening werken of de status van kernmacht al bereikt
hebben. De nucleaire pretenties van Iran worden door de Israëlische
leiders als uiterst gevaarlijk beschouwd. Niet alleen ten aanzien van
de veiligheid van Israël, maar vooral ook ten aanzien van de hegemonie
die Israël in de regio nastreeft. Volgens de publikatie "Open
Secrets" van de Israëlische mensenrechtenactivist Israël
Shahak, probeert Israël al enige jaren tot een vorm van coalitie
tegen Iran te komen, met niet-fundamentalistische Islamitische landen,
zoals Turkije en zelfs Syrië. Shahak wijst in dit verband verder
op een artikel uit 1993 van de journalist Moshe Zak, dat onder de titel
"Are we ready to make peace with Iraq" verschenen is in de
Israëlische krant 'Maariv'. Volgens dit artikel zouden de Israëlische
leiders destijds zelfs de mogelijkheid van een toekomstige alliantie
met Saddam Hussein tegen Iran hebben open gehouden.
|
|
|
Ten aanzien van de nucleaire ontwikkelingen
in Pakistan zijn de Israëlische leiders niet minder op hun hoede
dan met betrekking tot Iran. Het is niet zonder reden dat een aantal
Israëlische raketten met nucleaire lading gericht staan op Pakistan,
zoals in 1994 bleek uit een artikel van Tzadok Yehezkeli en Danny
Sadeh in de Israëlische krant 'Yediot Ahronot'. Maar Israël
weet dat dit op zich nog niet voldoende is om Pakistan te kunnen controleren.
Daarom hebben de Israëlische leiders al begin jaren tachtig toenadering
gezocht tot het door Hindoes geregeerde India. Gezien het historische
geschil dat dit land met het Islamitische buurland Pakistan heeft,
lijkt India een logische kandidaat voor Israël in een dergelijke
alliantie.
Volgens het zojuist genoemde "Open Secrets" van Israel Shahak
deed de toenmalige Israëlische defensie-minister Sharon in 1983
een voorstel aan India om tot een gezamenlijke aanval op Pakistan
te komen, waarbij de nucleaire installaties van dit land zouden worden
vernietigd. Sharon stelde daarbij, volgens Shahak, voor dat Israël
de militaire middelen zou leveren, terwijl hij van India verwachtte
dat dit land zich bereid verklaarde om als basis te dienen voor een
aanval op Pakistan. Destijds zag India nog niet zoveel in het voorstel
van Sharon. Maar volgens het artikel "Old fashioned Israeli methods"
van de journalist Yoav Karni, dat in 1992 in de Israëlische krant
'Haaretz' verscheen, is de grootste democratie op aarde later van
mening veranderd ten aanzien van een samenwerking met Israël
tegen de gezamenlijke vijand Pakistan.
Er dient in verband met de aanwijzingen over een alliantie tussen
Israël en India tegen Pakistan, op gewezen te worden dat de Israëlische
nucleaire politiek voor een belangrijk deel afhankelijk is van samenwerking
met andere landen. Vooral de onmogelijkheid om op Israëlisch
grondgebied kernwapens te testen speelt hierbij een rol. Volgens het
reeds eerder genoemde "The Samson Option" van Seymour Hersh,
onderhield Israël mede om deze reden in de jaren vijftig een
nucleaire samenwerking met Frankrijk. Maar toen De Gaulle er achter
kwam dat de Israëlische inlichtingendienst Mossad betrokken was
geweest bij de mislukte aanslagen op zijn leven door de OAS (de organisatie
van Franse kolonisten in Algerije, die de strijd aanbond met De Gaulle
omdat hij een voorstander van Algerijnse onafhankelijkheid was geworden),
maakte de Franse generaal al snel een einde aan de nucleaire binding
met Israël. Toch kwam het Israëlische kernwapenprogramma
niet direct in gevaar door de problemen met Frankrijk. Al vrij snel
daarna diende het apartheidsregime van Zuid Afrika zich aan als de
nieuwe nucleaire partner van Israël. Aan deze samenwerking kwam
pas een einde toen in Zuid Afrika de apartheid werd afgeschaft. Nelson
Mandela kon het direct slecht met de Israëlische regering vinden.
Zijn kritiek op de behandeling van de Palestijnse bevolking door Israël
viel in de joodse staat niet in goede aarde. Bovendien werd het ANC
ten tijde van de apartheid gesteund door gezworen vijanden van Israël
zoals Iran. Dat Zuid Afrika in 1995 door Israël beschuldigd werd
van een nucleaire samenwerking met Iran, zoals blijkt uit een in 1995
verschenen artikel in het Zuidafrikaanse tijdschrift 'Southscan',
is hierbij van niet geringe betekenis. Samenwerking tussen Israël
en Zuid Afrika behoort, onder de nieuwe omstandigheden in het laatstgenoemde
land, in ieder geval niet langer tot de mogelijkheden. Het is een
interessante vraag of de onlangs door India uitgevoerde kernproef
in feite betekent dat Israël een nieuwe nucleaire partner heeft
gevonden.
De nucleaire politiek van Nederland en de kernproeven
in Pakistan
Het kon vanzelfsprekend niet uitblijven: de atoomproeven van India
werden beantwoord met een zesvoudige nucleaire test door Pakistan.
In tegenstelling tot de geruchten over een nucleaire relatie tussen
India en Israël, bestaat er over de Pakistaanse atoombom aanmerkelijk
meer duidelijkheid. Daarbij wijst het spoor naar Nederland. Want dat
Pakistan thans over een atoombom beschikt, komt in de eerste plaats
omdat de atoomspion Abdoel Quadeer Kahn in de jaren zeventig aan de
haal kon gaan met een grote hoeveelheid geheime nucleaire informatie,
met betrekking tot het voor een atoombom o zo essentiële ultracentrifugeprocédé.
Deze gegevens wist Kahn begin jaren zeventig te vergaren terwijl hij
werkzaam was voor het 'Fysisch Dynamisch Onderzoekslaboratorium' (FDO)
in Amsterdam. Kahn wist via zijn band met Nederland verder de hand
te leggen op verschillende wetenschappelijke instrumenten, waar het
Pakistaanse atoombomproject om zat te springen. Ook strategisch gevoelige
grondstoffen vonden via Kahn hun weg naar Pakistan. Nadat hij in 1975
Nederland ontvluchtte kreeg Kahn de leiding over het atoombomprogramma
in Pakistan. In het Pakistaanse Kahuta liet hij vervolgens een ultracentrifugecentrum
bouwen dat een exacte kopie was van 'Ultra Centrifuge Nederland' in
Almelo. Kahn heeft tot op de dag van vandaag zijn positie in Pakistan
weten te behouden en naar aanleiding van de atoomproeven heeft hij
daar onlangs de heldenstatus bereikt. Er is in het verleden al heel
wat over Kahn geschreven, en ook recentelijk is deze spionage-affaire
door de media weer in herinnering geroepen. Het is daarom niet nodig
om hier uitputtend bij de Kahn-affaire stil te staan. Maar dat neemt
niet weg dat er over deze kwestie nog wel een aantal kanttekeningen
zijn te plaatsen die in de huidige berichtgeving niet of nauwelijks
worden vermeld. Daartoe dienen wij eerst bij Kahn's wetenschappelijke
carrière stil te staan. Kahn kwam in 1963 naar Nederland om
te gaan studeren aan de Technische Hogeschool in Delft. Zijn mentor
daar was de bekende prof. dr. W.G. Burgers. Via Delft kwam Kahn op
de universiteit van Leuven in België terecht. Hij studeerde daar
bij de Nederlandse hoogleraar prof. dr. M.J. Brabers. Het was in Leuven
waar Kahn in 1971 promoveerde op het onderwerp de "elasticiteit
van metaallegeringen". Na zijn studie trad Kahn in dienst bij
het FDO in Amsterdam, een ingenieursbureau van 'VMF/Werkspoor', dat
onderdelen leverde voor de ultracentrifuge, zoals die in Almelo plaats
vond bij UCN. Het laatstgenoemde bedrijf maakt ook tegenwoordig nog
deel uit van Urenco, een Brits-Duits-Nederlands samenwerkingsverband
voor de produktie van verrijkt uranium ten behoeve van kernreactoren.
Urenco is zelf weer verbonden aan een serie ondernemingen op nucleair
gebied. Daaronder bevinden zich ondernemingen die aan de Tweede Wereldoorlog
een bedenkelijke reputatie hadden overgehouden, zoals Degussa en Hoechst,
bedrijven die voor en tijdens de oorlogsjaren aan het beruchte IG
Farben concern verbonden waren (zie 'Kleintje Muurkrant' nummer 319).
Vanuit zijn functie bij het FDO bracht Kahn zestien dagen bij UCN
in Almelo door. Daarbij kreeg hij ruim de gelegenheid om informatie
voor zijn Pakistaanse opdrachtgevers te verzamelen. Kahn kon een tijd
ongestoord zijn gang gaan, maar in 1975 liep hij tegen de lamp. Aanleiding
hiertoe vormden de bestellingen bij toeleveringsbedrijven voor de
nucleaire industrie, die gedaan werden door de Pakistaanse ambassade
in Brussel. Het bleek dat hierbij gegevens naar voren kwamen die afkomstig
moesten zijn van Kahn's spionagewerk bij het FDO. Kahn werd hierop
de toegang tot UCN geweigerd en week vervolgens ijlings uit naar Pakistan.
Dat hij niet voornemens was om naar Nederland terug te keren, bleek
uit een telex die in 1976 bij het FDO arriveerde. In de periode die
volgde bleef het contact tussen Kahn en zijn voormalige collega's
bij het FDO echter wel overeind. Regelmatig benaderde hij hen vanuit
Pakistan voor informatie of de leverantie van apparatuur en maar al
te vaak werd op zijn verzoeken ingegaan. Daarnaast vertrok in 1976
zeker één FDO personeelslid naar Pakistan om daar adviezen
te geven op het gebied van ultracentrifuge. In dezelfde periode waren
ook Kahn's voormalige docenten, uit Delft en Leuven, in Pakistan te
vinden, zoals Burgers en Brabers.
Volgens Brabers behoorde ook diens oud collega dr. T. Barendregt tot
de Nederlandse geleerden die de Pakistani van advies dienden. Barendregt
was volgens eigen zeggen bevriend met prof. dr. J. Kistemaker, de
uitvinder van het Nederlandse ultracentrifuge procédé
(zie 'Kleintje Muurkrant' 319). Na zijn pensionering werd Barendregt
adviseur van het Braziliaanse staatsbedrijf 'Nuclebras', dat mede
gefinancierd werd door de Hollandse Koopmansbank (zie 'Kleintje Muurkrant'
83 en 321).
Bij de import van materiaal ten behoeve van het Pakistaanse nucleaire
bewapeningsprogramma, kon Kahn na zijn vlucht naar Pakistan vooral
vertrouwen op zijn oud studiegenoot ir. W. Slebos. De laatstgenoemde
exporteerde in 1980, door van Doorne transmissies in Tilburg geleverde,
pijpleidingen naar Pakistan. Dit materiaal werd daar toegepast bij
de ultracentrifuge. Toen Slebos drie jaar later werd betrapt bij de
export van een breedband-oscilloscoop naar Pakistan leverde dit hem
een gevangenisstraf van één jaar op. Het ziet er naar
uit dat Slebos zich destijds door zijn gevangenisstraf niet heeft
laten weerhouden tot verdere illegale export naar Pakistan. Details
hieromtrent ontbreken, maar wel staat vast dat in 1998 wederom ladingen
van 'Slebos Research', bestemd voor Pakistan, in beslag zijn genomen
door de economische controle dienst en de douane. Wat Slebos tussen
1983 en 1998 allemaal heeft uitgespookt ten aanzien van Pakistan is
onbekend. Maar de indruk bestaat dat zijn handel met Pakistan in die
periode gewoon is doorgegaan en dat hieromtrent dan ook slechts het
topje van de ijsberg boven water is gekomen.
Het relatieve gemak waarmee Kahn te werk kon gaan wekt de indruk dat
men in Nederland zat te slapen. Ook de adviezen die Nederlandse geleerden
in Pakistan overbrachten, werden door bijvoorbeeld de BVD niet als
een risicofactor gezien ten aanzien van de ontwikkelingen rond kernbewapening
in dat land. Natuurlijk kan dit allemaal worden toegeschreven aan
onachtzaamheid en naïviteit. Maar de situatie rond Kahn kan aan
de andere kant moeilijk beschouwd worden zonder rekening te houden
met de mogelijkheid dat er in Nederland eigenlijk niet zoveel bezwaren
bestonden tegen de verspreiding van kernwapentechnologie naar Derde
Wereld landen zoals Pakistan. De bij Urenco aangesloten landen mogen
dan het non-proliferatieverdrag hebben ondertekend, maar dat neemt
niet weg dat de scheiding tussen vreedzame en militaire toepassingen
van nucleaire technologie uiterst dun is. Ook Israël bedient
zich bijvoorbeeld van kernenergie als dekmantel voor de produktie
van kernwapens. Daar komt nog bij dat het bij aan Urenco verbonden
ondernemingen uitsluitend om het binnenhalen van winsten gaat. In
dit kader ligt het voor de hand dat non-proliferatie niet hoog in
het vaandel staat bij deze ondernemingen.
In ieder geval kon Kahn zijn gang gaan zonder dat er iemand alarm
sloeg. De enige die begin jaren zeventig aan de bel trok was zijn
collega Frits Veerman. De reactie die Veerman daarop kreeg onderstreept
de zojuist beschreven veronderstelling dat er in Nederland niet zo
moeilijk werd gedaan over de mogelijkheid van een Pakistaanse atoombom.
Veerman werkte als fotograaf bij het FDO en werd op een zeker moment
op dezelfde kamer geplaatst waar Kahn werkzaam was. Er ontwikkelde
zich een vriendschappelijke relatie tussen de Pakistaanse wetenschapper
en de Nederlandse fotograaf, welke zich tevens uitbreidde tot de privésfeer.
Ondanks de vriendschappelijke relatie begon Veerman het gedrag van
zijn vriend en collega op een zeker moment 'raar' te vinden. Maar
dat er wat aan de hand was werd hem pas echt duidelijk toen Kahn hem
namens de Pakistaanse regering uitnodigde om naar Pakistan te komen.
Langzaam groeide bij Veerman het besef dat Kahn wel eens kon spioneren
bij het FDO. Herhaaldelijk maakte hij daarop melding van het in zijn
ogen opmerkelijke gedrag van Kahn. Maar iedere keer dat hij zich bij
zijn superieuren meldde toonden deze zich niet geïnteresseerd.
Of zoals Veerman het zelf gesteld heeft: "Het leek wel of ze
dachten met een debiel te maken te hebben, toen ik zei dat Kahn een
spion was". Uiteindelijk heeft Veerman het behoorlijk moeten
bezuren dat hij melding maakte van zijn verdenking ten aanzien van
Kahn. Toen de spionageactiviteiten van Kahn eenmaal in al hun proporties
waren gebleken, kreeg Veerman de BVD op zijn dak en werd hij eindeloos
door de politie verhoord, alsof hij een medeplichtige van de Pakistaan
was, in plaats van degene die al in een vroeg stadium alarm had proberen
te slaan. Naar aanleiding van de affaire Kahn werd Veerman zelfs ontslagen,
hetgeen hem terecht ook tegenwoordig nog altijd behoorlijk dwars zit.
Kahn zelf werd overigens in 1983 bij verstek veroordeeld, omdat hij
toen al hoog en breed in Pakistan zat. Een jaar later werd het vonnis
vernietigd, omdat het onduidelijk was of Kahn ooit wel een dagvaarding
had ontvangen.
|
Bronnen:
Het gedeelte van dit artikel over de Israëlische rol achter de kernproef
in India is vooral gebaseerd op "Open Secrets" van Israel Shahak.
Verder is hier gebruik gemaakt van "The Samson Option" van Seymour
Hersh en artikelen die verschenen zijn in 'Maariv', 'Haaretz', 'Yediot Ahronot',
'Southscan' en de' The Sunday Times'. Het gedeelte over de rol van Nederland
bij de Pakistaanse, atoombom is in de eerste plaats gebaseerd op het artikel
"Wat Khan kon, kon Khan nooit alleen" van Jan Pijper, dat op 14
maart 1981 werd gepubliceerd in de 'Volkskrant'. Verder is dit tweede gedeelte
gebaseerd op "Operatie Delta" van Bart Middelburg en Kurt van
Es, "Atoomspionage" van Frits Veerman en Jacques Ros en artikelen
uit 'Kleintje Muurkrant', 'NRC Handelsblad' en 'Vrij Nederland'. Met dank
aan stichting LAKA uit Amsterdam. |
Een aspect van de Pakistaanse
atoombom dat nadere aandacht behoeft, is de financiering van het project
waar Kahn de leiding over kreeg. Hoe is het mogelijk dat het straatarme
Pakistan in staat is om zich aan te sluiten bij de andere kernmachten
in de wereld? Voor de ontwikkeling van een atoombom is simpelweg erg
veel geld nodig en dat heeft men niet in Pakistan. Er moeten dus bijzondere
omstandigheden zijn die het de Pakistaanse leiders desondanks mogelijk
hebben gemaakt om de weg van nucleaire bewapening in te slaan. In het
verleden is er op gewezen dat het Pakistaanse kernwapenprogramma gefinancierd
werd door het Libië van Kolonel Khadaffi. Het zou de bedoeling
zijn geweest dat de door Pakistan ontwikkelde nucleaire technologie
uiteindelijk tevens in handen zou komen van Libië.
De vraag is waarom Libië niet zelf overging tot de ontwikkeling
van een kernwapen. Het argument is dat Israël het niet zou tolereren
dat Libië daar toe overging; van Pakistan zou Israël dit wel
hebben geaccepteerd.
Deze theorie rammelt nogal. Uit het eerste gedeelte van dit artikel
bleek nu juist dat Pakistan door de Israëlische leiders wordt beschouwd
als één van de grootste bedreigingen voor de joodse staat
en dat men zeer beducht is voor het Pakistaanse kernwapenprogramma.
Gezien de zwakke plek in de Libië-theorie met betrekking tot het
Pakistaanse atoombomproject, moeten dus ook andere mogelijkheden open
worden gehouden.
Exportprodukten kent Pakistan niet in ruime mate, dat wil zeggen niet
veel legale exportprodukten. Op illegaal gebied is Pakistan echter ruim
vertegenwoordigd in de vorm van drugs. Hier komen we toe aan de rol
van de BCCI bank (Bank of Credit and Commerce International, zie 'Kleintje
Muurkrant' 243), want deze bank is ooit zowel in opspraak gekomen naar
aanleiding van witwas praktijken van drugsopbrengsten, alswel door betrokkenheid
bij de financiering van het Pakistaanse kernwapenprogramma. BCCI-oprichter
Agha Hasan Abedi was goed bevriend met de Pakistaanse generaal Zia ul-Haq,
die evenals zijn voorganger Zoefikar Ali Bhoetto (overigens een bekende
van Prins Bernhard), bekend stond als een groot pleitbezorger van een
Pakistaanse atoombom. De rol van de BCCI bij het Pakistaanse kernwapenprogramma
werd duidelijk toen begin jaren tachtig een Pakistaan in de VS werd
betrapt, die op het punt stond om schakelmechanismen voor kernwapens
naar Pakistan te exporteren. Verder verschenen er begin jaren tachtig
berichten dat de verdediging van Kahn in Nederland werd gefinancierd
door de BCCI. Pakistan kan ook tegenwoordig nog eenvoudig met drugs
in verband gebracht worden. Recentelijk bleek dat zo'n 350 prominente
Pakistani hun drugswinsten op geheime Zwitserse bankrekeningen laten
storten. Onder de namen die hierbij naar voren kwamen, viel die van
de huidige Pakistaanse premier Nawas Sharif op.
De drugsconnectie rond de Pakistaanse atoombom is eveneens interessant
ten aanzien van de activiteiten van Kahn in Nederland. Illegale transporten,
zowel van wapens als drugs, maken vaak van dezelfde trajecten gebruik.
Aan de drugsverbanden tussen Pakistan en Nederland valt niet te ontkomen;
zie het onderzoek van de parlementaire enquête commissie inzake
bijzondere opsporingsmethoden.
Daaruit werd duidelijk dat het Bruinsma/Urka-imperium met goedkeuring
van het IRT vele tonnen Pakistaanse hasjiesj importeerde. Eén
en ander vond plaats in een periode dat de export van nucleaire technologie
vanuit naar Nederland naar Pakistan nog volop plaats vond. Want in 1989
verbleef Kahn nog een tijd illegaal in Nederland in het kader van het
Pakistaanse kernwapenproject. In datzelfde jaar sloeg Bruinsma de grootste
slag uit zijn criminele loopbaan met de import van 50 ton Pakistaanse
hasjiesj. Aan de hand van ter beschikking staande informatie over zowel
de drugs smokkel vanuit Pakistan, de BCCI, én de gebeurtenissen
rond het Pakistaanse atoombomproject, is het niet zo moeilijk om een
traject in kaart te brengen. Allereerst werden de Pakistaanse drugs
door figuren als Bruinsma, Urka en de Hakkelaar geïmporteerd. De
winst die zij maakten werd onder andere witgewassen via de Amsterdamse
beurs, zoals beschreven in de artikelenserie van Jan Portein voor 'Kleintje
Muurkrant'. De door Pakistan geleverde drugs werden door de Nederlandse
hasj-handelaren betaald via stortingen bij de Femisbank. Deze, in Nederland
gevestigde bank, maakte de drugsmiljoenen over naar de BCCI van Abedi,
die de opbrengsten van de drugshandel vervolgens gebruikte om het Pakistaanse
atoombomproject van Kahn te financieren. Er lijkt geen speld tussen
te krijgen.
Ondertussen stond de Nederlandse regering er bij en keek er naar...
Peter Edel
|
|
|
|
|