|

"We zullen hem krijgen........
al moeten we gras eten"
"De
nucleaire geest zal ineens uit de fles zijn ontsnapt."
|
De
onthutsende geschiedenis van de Islamitische bom
In hun slot-aflevering van hun serie
over Pakistan's opmars als atoom-mogendheid schetsen BBC-verslaggever
Tibenham, Olgiati, Weissman en Edwards de Pakistaanse penetratie in
de Europese atoomindustrie. Opnieuw: de dubieuze rol van Frankrijk.
En de onmacht van het Westen. Ook: Libië's Khadaffi als atoom-makelaar.
Pakistan's "niets ontziende Realpolitik" is nog slechts achttien
maanden verwijderd van het uur nul.
Gespleten: zo moet de houding van de Westerse regeringen worden getypeerd
als het gaat om de export van atoomkennis (en materiaal) naar de Derde
Wereld. Want de ene keer is er sprake van agressieve pogingen om nieuwe,
uitgestrekte markten aan te boren voor exporthongerige ondernemingen;
dan weer valt er een groeiende hysterie waar te nemen zodra de consequenties
van dergelijke transacties zich aftekenen.
|
Goed, de Franse president
Valery Giscard d'Estain kon dan wel in augustus '78 zijn veto uitspreken
over verdere voltooiing van de Franse opwerkingsreactor voor plutonium
in Pakistan. En Amerika dat tot dusver met z'n buitenlandse politiek
had uitgeblonken in louter wansuccessen, mocht dan wel opgetogen zijn.
Maar wijdverbreide zelfingenomenheid bleek al gauw voorbarig. Pakistan
dacht er in de verste verte niet aan om de droom van een 'Islamitische
bom' zo maar prijs te geven.
Het land stapte bliksemsnel over op het alternatieve pad dat naar de
bom voert, dat van uranium-verrijking.
Vanaf het prille begin in 1972 was die mogelijkheid al opengehouden.
Strikt geheime Franse regeringsrapporten onthullen dat de Pakistani
om Franse hulp aanklopten om zich te bekwamen in methoden om uranium
te verrijken. De Fransen weigerden. Binnen een jaar begon de Pakistaanse
penetratie in andere Europese landen. De voornaamste Pakistaanse bron
was Nederland. maar ook groot-Brittannië, West-Duitsland en Zwitserland
stonden op de lijst.
Ons BBC-onderzoeksteam kwam uiteindelijk terecht bij een onopvallend
gebouw in een grauwe industrie-voorstad van Parijs: Courbevoie. Hier
wist de technisch-wetenschappelijke afdeling van de Pakistaanse ambassade
al haar operaties gebundeld. Topman S.A. Boett rapporteerde zijn bevindingen
van hieruit naar zijn superieuren in het Pakistaanse vaderland, in casu
"atoom-chef" Moenir Khan. Boett was ook de man die de ontbrekende
elementen van Pakistan's nucleaire programma zou opsporen.
Officieel heette het dat de franse firma S.G. (St. Gabon Technicums
Nouvelle) alle medewerking aan het Pakistaanse project in augustus '78
had stopgezet. Maar het zou nog zeker vijf maanden duren alvorens de
Franse minister van Buitenlandse Zaken Jean-Franchise Pincet de bewuste
brief van Geschaard d'Estaing formeel ter bestemder plaatse deponeerde.
Vanwaar die vertraging? Een Franse diplomaat liet ons weten dat zijn
regering haar uiterste best deed om een diplomatieke crisis met Pakistan
te voorkomen.
Dus mocht het niet verbazingwekkend heten dat de Pakistaanse minister
van Buitenlandse zaken Aga Shahi tijdens een bezoek aan Parijs eind'78
werd onthaald op een succesgebaar; het Elysee zou de Pakistani wel even
oorlogsjagers en ander militair materieel leveren tegen uiterst comfortabele
financiële condities.
|
Inmiddels kreeg de fabriek SGN uit
Parijs te verstaan de levering van atoom-gevoelige onderdelen stilzwijgend
te staken. Maar evenzogoed werd de afbouw van de kale reactor in Pakistan
gewoon voortgezet. Vijfennegentig percent van de zogeheten heropwekkings-faciliteiten
waren reeds in Pakistaanse handen. En Franse ingenieurs verlieten
Pakistan pas tegen het eind van '79.
De Franse regering demonstreert nog steeds een buitengewone gevoeligheid
zodra de zaak ter sprake komt. Het enige wat de Franse atoomchef Michel
Pecqueur kwijt wil over de Franse gedragingen is dat ze " geheel
in de lijn liggen van de Franse politiek"- Op de vraag wat die
politiek nu precies inhield blijven zegslieden als Pecqueur het antwoord
schuldig.
Parijs mocht wel officieel een punt achter "de zaak Pakistan"
hebben gezet, de Pakistani, geleid door ambassade-wetenschapper Boett,
gingen onverdroten en niet zonder succes voort met het bestoken van
Franse industrieën.
De Parijse firma Aries en de fabriek
Robatel te Lyon maakten deel uit van zijn jachtterrein. De directeur
van Aries liet weten wel ooit een bod te hebben gedaan, maar dat de
Pakistani er niet op in zouden zijn gegaan. Even schimmige reacties
van Robatel: aanvankelijk was de onderneming van overheidswege gestraft
omdat het voorzag in de wensen van Boett en de zijnen, dus zou hem
een nieuwe order zijn geweigerd.
Een curieuze situatie. Frankrijk mocht 'Pakistan' dan wel hebben teruggeschroefd,
maar het was een publiek geheim dat de heer Boett zijn verkenningen
in de Franse atoomindustrie ongehinderd kon voortzetten.
Uit de mond van de heer F.X. Poincet, nu bekleed met een erefunctie
bij SGN-fabrieken, noteerden we bittere kritiek op de Franse regering.
"We zaten in een lastig parket. De productie was inderdaad stopgezet,
maar we zaten nog steeds met een legaal contract in de maag dat met
de Pakistaanse atoomenergie-commissie was afgesloten." Na terugkeer
uit Pakistan kwam het BBC-team er achter dat de Pakistani inmiddels
zelf clandestiene methoden hadden uitgedacht om ook materiaal te vergaren
dat nodig was om de reactor in bedrijf te zetten. Zo
voerde het spoor naar het Italiaanse dorp Santangelo Lodigiano, een
half uur rijden van Milaan. Daar kreeg de Pakistaanse droom verder
gestalte bij Alcom, het Italiaanse zusterbedrijf van de Franse metaalspecialist
Bignier Shmid Laurent (BSL). Alcom-directeur Aldo Turci gaf toe dat
hij een order had gekregen voor een nitraat-producerende fabriek,
afkomstig van de Aziatische Chemicaliën Industrie Ltd. te Karachi,
Pakistan.
De overeenkomst (zei Turci) was in april'79 gesloten. Hij zou zojuist
begonnen zijn aan de fabricage van 26 uit verschillenden metalen bestaande
vaartuigen en tanks. Voor december '79 moesten ze worden afgeleverd.
|
De Alcom-baas ontkende tegenover ons ook maar
iets te weten van nucleaire toepassingen van zijn apparatuur.
In Frankrijk hielde de geruchten aan dat de Franse atoomindustrie, de
SGN-fabrieken inbegrepen, ondanks het arbeidsverbod toch materiaal aan
Pakistan bleven leveren.
George Besse, directeur van de Franse nucleaire brandstofmaatschappij
Cogema (deels eigenaar van SGN) schreef een brief op poten aan zijn
SGN-collega Poincet met de beschuldiging dat sommige industrieën
(het door Pakistan gewenste) materiaal aan een Italiaanse fabriek hebben
"doorgespeeld".
En rond het tijdstip van ons bezoek aan Alcom in Italië werd bij
het Franse moederbedrijf BSL in Soissons een foto- en filmverbod uitgevaardigd.
Een maand later kregen fabrieksarbeiders vab BSL te Soissons te horen
dat bepaalde nucleaire producten ten behoeve van Italië niet meer
in Frankrijk, maar in Italië zelf zou worden verwerkt.
Niet voor niets had de bozeCogemabaas Georges Besse in zijn brief geschreven:
"De Italianen moesten deze uitrusting vervolgens naar Pakistan
sturen met behulp van een soort waardeloze documentatie."
Op het BSL-hoofdkantioor in Parijs kregen we " geen commentaar'.
Inmiddels had de Franse regering al van een andere Westerse regering
bijzonderheden te horen gekregen over de Italiaanse praktijken van de
BSL-fabriek.
De Pakistaanse opmars naar atoomstaat leidt vervolgens naar het hart
van de Sahara-woestijn. Hier, in de Islamitische Republiek Niger, wordt
nog steeds uranium gewonnen waarmee Pakistan z'n bom kan maken. De mijnbouwmaatschappij
is van Franse origine.
In het isolement van de woestijn, op honderden kilometers afstand van
de dichtstbijzijnde stad, ademen plaatselijke arbeiders en Franse ingenieurs
doorlopend het rode mijnstof in dat wordt gevormd bij de winning van
het uranium-koper. De temperatuur schommelt er steeds rond de 45 graden.
Niger zelf ontvangt een deel van de opbrengst
uit de mijn-productie, waarvan bijna het merendeel wordt verkocht
aan de Islamitische broederstaten Pakistan en Libië. Officieus
zeggen de Fransen geheel machteloos te staan tegenover dit akkoord.
Ze kunnen niet tussenbeide komen, heet het.
Als onafhankelijke natie kan Niger zijn uranium naar believen verkopen;
de verkoop is open, legaal en zelfs vastgelegd bij het Internationale
Atoomenergiebureau (AEA). De Pakistan-Niger overeenkomst met de IAEA
houdt in dat niets van de uranium "zal worden gebruikt voor de
fabricage van enig atoomwapen, noch voor enig ander militair doel
of voor de vervaardiging van welk explosief dan ook".
President Seyni Kountche van Niger liet ons desgevraagd weten: "Wij
verkopen ons uranium aan welk land, ongeacht z'n ideologie of regime,
op voorwaarde dat het deelneemt in onze ontwikkeling. En in de tweede
plaats verwachten we dat ons uranium de belangen van opbouw zal dienen
en niet die van oorlog. Bovendien verlangen we dat de IAEA de verkoop
waarborgt."
"Daarom zien we niet in dat onze verkopen aan een of ander land
in het bijzonder tot klachten zou kunnen leiden. We verkopen aan Pakistan
en zullen dat blijven doen."
Niger's leider voegde er wel aan toe dat wanneer dit Internationale
Atoomenergiebureau zijn eigen toezicht niet naar behoren doorvoert
'het dan een zaak is van ons eigen geweten en dat van het land dat
koopt".
Eens behoorde Niger tot een van Frankrijks armste koloniën. Vandaag
de dag brengt uranium ongekende welvaart binnen via comfortabele hoeveelheden
vreemde valuta. President Kountch kwam destijds via een staatsgreep
aan de macht die door Libië werd gesteund. Hij is een diep gelovig
moslim. IEA-functionarissen zeggen precies te weten wat er gebeurde
met door Pakistan gekocht uranium. "Niets". Probleem is
dat Uranium nooit rechtstreeks naar Pakistan is gegaan, maar via Libië
wordt verscheept. Datzelfde Libië heeft het niet verspreidingsverdrag
( voor kernwapens) niet ondertekend. Het land laat geen IEA-inspecteurs
tot zijn grondgebied toe, zodat niet kan worden nagegaan hoeveel toekomstig
splijtstof nu precies Libië verlaat.
"Voorlopig", zegt IEA-chef dr. Sigmund Eglund "is Libië
niet verplicht om ons inlichtingen te verstrekken".
natuurlijke hulpbronnen betekenen macht: afgezien van zijn warme uitingen
van Islamitische broederschap beschouwt de Libische staatschef Muammar
Khaddafi zichzelf vooral als uranium-maker van de Islamitische wereld.
Het is voor een deel aan de Libische diplomatie te danken dat Niger
met z'n uranium leveranties aan Pakistan begon. Door controle op dat
uranium uit te oefenen kunnen de Libiërs in feite het hele Pakistaanse
bom-project beïnvloeden. Zo is Khadaffi er zeker van dat hij
wat terugkrijgt in ruil voor miljoenen dollars die hij in de "Islamitische
bom" heeft geïnvesteerd.
De onberekenbare Khadaffi zou het Pakistaanse staatshoofd Zia oel
Haq wel eens kunnen tracteren op een ommekeer: Zo is met Ze's voorganger
Ali Bhoetto weliswaar een overeenkomst gesloten, maar recentelijk
kan gesproken worden van een bevriezing van de Libisch-Pakistaanse
betrekkingen. Een bevriezing die alles te maken zou hebben met de
nucleaire kwestie.
Beide partijen zwijgen daarover in alle toonaarden.
|
Is het voor Pakistan te laat
om zich uit de moeilijkheden te redden? Tot dusver zijn de Pakistani
erin geslaagd om de westerse inlichtingendiensten een tot twee stappen
voor te blijven. Ze zijn hoe dan ook akelig dicht in de buurt van
het einddoel, waarvan Bhoetto een paar jaar geleden zei: "We
zullen en moeten die bom krijgen. Zelfs
al moeten we er gras voor eten".
Pakistans atoomproject, omhoog geschoten
als een paddestoel, bestaat uit de volgende segmenten:
de Candu-reactor in
Karachi, een proefverrijkingsfabriek in Sihala, een verrijkingsfabriek
in Kahoeta, de geplande, complete heropwerkingsfabriek voor plutonium
in Chasma, alswel nieuwe voorzieningen voor zowel brandstoffabricage
als wel een "zwaar water"-fabriek ten behoeve van de Candu-reactor.
Belangrijkste onderdeel is ongetwijfeld het Pakistaanse instituut voor
wetenschap en technologie Pinstech te Rawalpindi. Want afgezien van
een kleine reactor beschikt Pinstech daar over nog eens twee kleinere
eenheden voor de heropwerking van splijtstof. Een is er klaar, de andere
nog in aanbouw.
En juist met die laatstgenoemde eenheid kan Pakistan in de ogen van
de westerse veiligheidsdiensten voldoende plutonium maken om een bom
tot ontploffing te brengen.
IEA-zegsman dr Eklund toont aan dat zijn bureau toezicht houdt op de
naleving van veiligheidsvoorschriften van Pinstech, "maar de proeffabriek
voor heropwerking in Pinstech 'bewaken' we niet, omdat Pakistan niet
behoort tot de zogenaamde niet-verspreidingslanden...... en we kunnen
alleen maar toezien op die installaties welke vrijwillig door Pakistan
aan IEA-veiligheidsvoorschriften zijn onderworpen.
En juist om die niet "beveiligde" installaties gaat het. Kan
die proeffabriek, zelfs al zijn het maar kleine hoeveelheden, plutonium
produceren? Antwoord van Eklund: "Ja, dat is juist".
Het internationale Atoombureau zit nog steeds te wachten op Franse gegevens
om wat meer greep te krijgen op de plutoniumfabriek in Chasma. Maar
IAEA-chef Eklund wil niet prijsgeven wat voor gegevens dat zijn. "Dat
valt buiten het bestek van dit vraaggesprek. Maar we onderhouden met
Frankrijk en Pakistan contact."
Amerikaanse en Russische spionagesatallieten hebben aanwijzingen opgepikt
van mogelijke voorbereidingen tot ondergrondse kernproeven in het onmetelijke
Pakistaanse woestijngebied. Er zijn transporten waargenomen van niet
geringe hoeveelheden materiaal.
Volgens sommige schattingen kan de eerste Pakistaanse kernexplosie binnen
achttien maanden worden tegemoet gezien. Er is nog enige twijfel of
Pakistan voor een enkele ontploffing wel genoeg plutonium voor handen
heeft. Zeker is dat de kennis om de bom te maken, 35 jaar na Hiroshima,
overrompelenderwijs beschikbaar is.
Het ziet er naar uit dat de Pakistaanse bom een bewapeningswedloop zal
ontketenen op het Indiase subcontinent. De vroegere Indiase minister
Pant heeft al laten doorschemeren dat India de vervaardiging van een
waterstofbom zou overwegen om de Pakistaanse dreiging voor te zijn.
Een Islamitische bom roept tevens beelden op van een gevaarlijk uit
balans geraakte en plotseling "geatomiseerd" Midden Oosten.
Na Pakistan verkeert een flink aantal andere landen in het stadium van
bijna voltooide kernontwikkeling: Israël, Irak, Zuid-Afrika, Argentinië,
Brazilië, Zuid-Korea en anderen. De nucleaire geest zal ineens
uit de fles zijn ontsnapt en de wereld van de jaren tachtig zal er heel
anders uitzien - woeliger en gevaarlijker - dan de wereld der jaren
zeventig.
Het Pakistaanse streven om de bom te bemachtigen legt een niets ontziende
'Realpolitik" aan de dag die de Westerse atoomindustrie vastnagelt
aan de nieuwe politieke aspiraties van Islamitische naties.
Die krachtsinspanning maakt een lachertje van elke Westerse poging om
een halt toe te roepen aan de verspreiding van kernwapens in een wereld
waar alleen geld en benepen eigen belang schijnen mee te tellen
copyright de Volkskrant/New York Times
|

Dit is Abdhul Quadeer
Khan, hoofdpersoon in een cause célèbre die nog altijd
vraagtekens oproept. Een keurig persoon uit Pakistan die in een rijtjeshuis
te Zwanenburg woonde en van 1972 tot '75 werkte bij het Fysisch Dynamisch
Onderzoeksbureau van het VMF-concern. Nu is hij belast met een niet
onbelangrijke functie bij de atoomindustrie in zijn geboorteland.
Khan nam geheime gegevens uit Nederland mee voor het ontwikkelen van
Pakistan's eigen atoombom. De man deed in Amsterdam slechts "ondergeschikt
werk", zo was de eerste reactie van de Nederlandse regering.
'Hij had geen toegang tot de geheime technologie." Later moest
op deze uitspraken worden teruggekomen.
Khan hield zich bezig met het verhitten en afkoelen van metalen houders
voor het ultra-centrifuge-systeem. met dit procédé wordt
bij Urenco in Almelo uranium verrijkt tot brandstof voor kerncentrales.
De regering, door Engeland bijtijds gewaarschuwd voor Pakistaanse
aankopen kon niet anders dan een diepgaand onderzoek instellen. Minister
van der Klaauw (Buitenlandse Zaken) deelde een jaar geleden nog mee
dat de Pakistaanse regering hem had bezworen de kennis van uraniumverrijking
(uc)-technieken "alleen voor vreedzame doeleinden te gebruiken."
Hoe vreedzaam blijkt uit bijgaand verhaal.
|
|
|